Deze website sluit op 15 juni. Relevante inhoud verhuist naar www.mindconsult.nu.

Introductie Mindtraining (Lojong) en de Acht Verzen

 
Introductie Lojong
 
In mijn kennismaking met het Boeddhistische gedachtegoed en beoefeningen – in mijn geval van concentratie meditatie tot het hoogste Dzogchen onderricht – heeft het lojong onderricht me van meet af aan sterk aangesproken. En mij niet alleen – de geschiedenis leert dat Lojong zich onder de Tibetanen al eeuwen lang in een grote populariteit mag verheugen. Dit wordt toegeschreven aan de inspirerende kracht, haar aanstekelijke hartstocht en vooral haar praktische bruikbaarheid.
Deze training van de geest -  wat in essentie alle Boeddhistische beoefeningen zijn -  leent zich bij uitstek voor beoefening tijdens ons dagelijks leven. Het Tibe- taanse woord lojong is samengesteld uit lo– en jong. Lo betekent geest, gedachten, of houdingen. Jong kan betekenen trainen van een vaardigheid, gewenning aan een specifieke wijze van zijn en denken, cultiveren van mentale kwaliteiten of het  zuiveren van de geest

Mindtraining, of het trainen van de geest, zoals het in het Westen bekend is geworden, refereert aan methoden voor het ontwikkelen van de onzelfzuchtige ontwakende geest. We kunnen ook zeggen dat we met lojong onze geest bevrijden uit zijn of haar narcistische gevangenis van preoccupatie met zichzelf, en de benauwde perceptie waarmee iedereen en alles vanuit dat zelfzuchtige standpunt bekeken wordt.
En, dat is meteen onze motivatie voor de toepassing van lojong, dat de wortel is van al ons lijden. Een beroemde beoefening van Shantideva die hier toe hoort is tonglen: het gelijkstellen en uitwisselen van (je)zelf en anderen. De twee meest bekende en populaire mindtraining teksten zijn Langri Thangpa’s Acht Verzen voor het trainen van de geest en Geshe Chekawa’s Zeven Punten Training  van de Geest.

 
Kenmerken van Lojong
Het mindtraining onderricht daagt ons om onze neiging tot zelfkoestering of narcisme, te veranderen in ander-koestering of altruïsme. Het ziet daarbij de ander als een noodzakelijke voorwaarde voor alle spirituele ontwikkeling.
De training biedt ons een ander begrip van de ander, namelijk die van ware vriend – ook al strookt hun gedrag daar niet mee! - in plaats van vijand. De ware vijand zit in onszelf in de vorm van onze narcistische zelfkoestering, waardoor we menen dat wij en onze verlangens het allerbelangrijkste zijn in de wereld.
 
Het lojong onderricht gaat uit van de noodzaak en ons vermogen om alle tegenslagen die we tegenkomen om te zetten in het pad. Anders gezegd, je leert alles gebruiken als pad naar bevrijding. Dat bevrijdt ons tegelijkertijd van gehechtheid en afkeer en brengt een ruimtegevende gelijkmoedigheid.
Het lojong onderricht verschilt van veel ander onderricht en beoefening in de Tibetaans-Boeddhistische traditie, wat sterk gesystematiseerd is, meer mystiek is zoals het Dzogchen onderricht voor velen is, of dat gebruikmaakt van geritualiseerde godheid visualisaties in de yoga tantra meditaties. De meesters loven de lojong benadering om haar eenvoud en werkzaamheid.
 
 
De Acht Verzen voor het trainen van de geest
Geshe Kelsan Gyatso, de schrijver van Acht Stappen naar Vreugde,  zegt :
‘Hoewel het maar acht verzen van vier regels omvat, onthult deze opmerkelijke tekst de essentie van het Mahayana Boeddhistische pad naar verlichting, en laat ons zien hoe we onze geest kunnen transformeren van zijn huidige verwarde en op zichzelf-gerichte staat in de staat van perfecte wijsheid en compassie van een Boeddha.
Tot nu toe hebben we, zoals we in onze opvoeding geleerd hebben getracht de wereld, onze uiterlijke omstandigheden te veranderen, maar als we oprecht zijn dan moeten we onder ogen zien dat dat wel heel veel tijd en energie gekost heeft, maar heel weinig blijvend resultaat heeft opgeleverd.
De boeddhistische psychologie stelt dat vreugde of geluk een geestestoestand is, dus moet de werkelijke bron van vreugde in onze geest liggen en niet in uiterlijke condities. Het lojong onderricht en de Acht Verzen dienen precies daarvoor – een radicale perspectief verandering waarmee we onze geest die zichzelf als het allerbelangrijkste ziet, temmen naar een die anderen als belangrijker ziet, of als dat niet lukt, tenminste als echte gelijken.'
 
Voor de uitleg van de betekenis van de Verzen heb ik vooral gebruik gemaakt van het net genoemde boek van Geshe Kelsan Gyatso, Acht Stappen naar Vreugde dat ik in mijn studie van de Acht Verzen verreweg het meest bruikbare commentaar vond, zeker in het Nederlands.
We zullen nu de Acht Verzen kort bekijken. 
 
Vers 1
Met de wens om het hoogste doel te verwezenlijken,
Welke zelfs een wens-vervullend juweel overtreft,
Zal ik mijzelf trainen om te allen tijde,
Alle bewuste wezens als voornaam te koesteren.
 
Hier dient bij de eerste regel zich meteen een existentiële vraag aan:
Wat is eigenlijk het ultieme doel van het menselijk leven, of beter gezegd, wat zie jij als het ultieme doel van jouw leven? Wat wens je, waar streef je naar, waar dagdroom je over?
 
In het lojong onderricht is het duidelijk: het ultieme doel is de realisatie van verlichting in het belang van anderen – dit wordt ook wel relatieve bodhicitta genoemd. Het onderricht leert ons dat de snelste weg naar verlichting compassie is, en omdat onze compassie ontwikkeling afhangt van het koesteren van anderen, is de eerste stap naar de vreugde van verlichting leren anderen te koesteren.
In het onderricht worden twee redenen genoemd waarom het nodig is anderen te leren koesteren:
 
1) voor de immense vriendelijkheid die ze ons betoond hebben, en
2) omdat anderen koesteren enorme voordelen heeft.
 
1) voor de immense vriendelijkheid die ze ons betoond hebben,
Al onze vaardigheden en mogelijkheden komen van de vriendelijkheid van anderen – we hebben geleerd hoe te eten, hoe te lopen, hoe te praten, hoe te lezen en te schrijven, hoe te mediteren, en wie weet hoe tot de ultieme bevrijding te komen.
Ik denk dat de essentie is dat we niet alles en iedereen zomaar voor lief nemen, als vanzelfsprekend - alles wat we hebben en kunnen komt door anderen, ongeacht de moeite die wij deden om het ons eigen te maken of aan te schaffen.
 
2) omdat anderen koesteren enorme voordelen heeft
Het koesteren van anderen wordt in het lojong onderricht gezien als de beste methode voor het oplossen van onze eigen problemen en die van anderen. Het idee is dat onze problemen en zorgen, pijn of verdriet staten van geest zijn; het zijn gevoelens die niet buiten onze geest bestaan.
 
Kelsan Gyatso zegt hierover:
Als we iedereen die we tegenkomen, zoals wij elkaar hier nu tegenkomen, of waar we aan denken, koesteren dan is er geen basis voor het ontstaan van jalousie, boosheid of andere schadelijke gedachten en zal onze geest te allen tijde kalm zijn.
 
Met dit vers besluiten we anderen te koesteren.
 
Vers 2 
Wanneer ik omga met anderen,
Zal ik mijzelf zien als inferieur aan allen;
En zal ik mijzelf trainen
Om anderen als superieur te beschouwen vanuit het diepst van mijn hart.
 
In het 2e vers bekrachtigen we onze beslissing uit het 1e vers om anderen te koesteren. Langri Tangpa geeft ons de volgend instructies daarvoor:
'We moeten leren iedereen, ja iedereen, op gelijke wijze te beschouwen. Normaal gesproken houden we van onze partners, kinderen, familie en vrienden, maar niet van vreemden en zeker niet van onze vijanden. De meeste mensen laten ons onverschillig.'
 
Het onderricht vertelt ons dat de belangrijkste reden dat we niet alle levende wezens koesteren is omdat we volledig in beslag genomen zijn met ons-zelf, wat weinig ruimte laat voor het waarderen van anderen. We neigen vanuit onze zelfkoestering onze kwaliteiten, mogelijkheden en talenten te overdrijven – en zelfs onze spirituele verworvenheden, zoals Chögyam Trungpa zo scherp formuleerde in Het snijden door Spiritueel Materialisme.
 
Aan de andere kant van zelfkoestering vinden we het vaak moeilijk om onze fouten en tekortkomingen onder ogen te zien, laat staan publiekelijk te erkennen. Een populaire afleiding hiervan is het schuld geven aan anderen. Vast iets wat jullie nooit doen?
Het perspectief dat anderen de oorzaak zouden zijn van ons lijden maakt helaas dat we ons eerder focussen op hun tekortkomingen in plaats van hun goede kwaliteiten. Dit noemen we ook wel de vicieuze cirkel. Ons vooroordeel beperkt ons perspectief en lijkt ons vooroordeel te bevestigen. Zie je wel! Resultaat is dat we zelf gevangen blijven in onze narcistische zelfkoestering die een meer afstandelijke en soms arrogante houding naar anderen teweegbrengt.
 
Een van de hoofdfuncties van het Dharma onderricht, en dus ook van het lojong onderricht, is te fungeren om onze eigen tekortkomingen te kunnen zien.
Niet om onszelf af te keuren en onze gezonde eigenwaarde te ondergraven, maar juist om ons te bevrijden van het door onszelf veroorzaakte lijden van zelf-koestering. Deze is uiterts contraproductief omdat ze juist onze gezonde eigenwaarde ondergraaft. Het vers raadt ons dringend aan bescheidenheid te oefenen als tegengif tegen onze ongebreidelde zelf belangrijkheid. Met dit vers bekrachtigen we onze beslissing anderen te koesteren.
 
Vers 3
Tijdens alle activiteiten zal ik mijn geest peilen,
En zodra een misvatting opkomt—
Aangezien ze een gevaar vormt voor mijzelf en anderen –
Zal ik mijzelf trainen in het direct confronteren en  afweren ervan.
 
Terwijl de eerste twee verzen gingen over de beoefening van onszelf gelijkstellen aan anderen – laat dit vers ons zien hoe we het zelf met anderen kunnen uitwisselen. Hier komen we bij het direct, in het hier en nu, temmen van onze geest. We verdelen de externe wereld in wat we menen dat goed of waardevol is, slecht of waardeloos, of geen van beiden. Liever zouden we ons moeten bezighouden met onderscheiden welke interne geestestoestanden waardvol of waardeloos zijn. Het onderricht zegt dat om misvattingen te kunnen voorkomen we ze goed moeten kunnen onderscheiden, waarbij bijvoorbeeld kwaadheid en jaloezie makkelijker te herkennen zijn dan gehechtheid, trots of zelfkoestering. Maar wat is zelf-koestering eigenlijk?
 
Kelsan Gyatso zegt;
'Zelf-koestering wordt gedefinieerd als een geest die zichzelf als allerbelangrijkst en waardevolst ziet en die zich ontwikkelt vanuit de schijn van het werkelijke bestaan van het zelf. Het waanidee van zelf-koestering functioneert bijna constant in onze geest en het is de ware kern van onze samsarische ervaring.'
 
Nadat we de intentie ontwikkeld hebben om onze zelf-koestering te overstijgen is de volgende stap om het te herkennen op het moment dat het in onze geest opkomt. Om dit te doen adviseert Geshe Langri Thangpa ons om ons geest gedurende al onze activiteiten te onderzoeken.
"Doorgaans houden we andere mensen in de gaten maar het zou veel beter zijn als we in de gaten houden wat er in onze eigen geest gaande is. Wat we ook aan het doen zijn, of we nu werken, praten, ontspannen of de Dharma bestuderen, een deel van onze geest zou altijd alert moeten observeren welke gedachten opkomen.' 
Dus hier komen gewaarzijn en gerichte aandacht. of awareness en mindfulness samen. Zodra een misvatting op het punt staat op te komen zouden we moeten trachten ze te stoppen. Als we een misvatting in zijn vroege fasen vangen is hij vrij makkelijk te stoppen, maar als we hem toestaan zich te volledig ontwikkelen dan wordt het heel moeilijk hem te controleren.
 
In meditatie stellen we ons voor dat we van plaats verwisselen met een ander persoon en we proberen de wereld te zien vanuit zijn of haar perspectief. Gewoonlijk ontwikkelen we de gedachte ‘Ik’ op basis van onze eigen lichaam en geest, maar nu proberen we ‘Ik’ te denken terwijl we ons gewaarzijn van lichaam en geest van iemand anders. Deze beoefening helpt ons om diepgaande empathie te ontwikkelen met andere mensen en laat ons zien dat zij een zelf hebben dat ook een ‘Ik’ is en dat is net zo belangrijk als ons eigen zelf of Ik.
 
 
Vers 4
Wanneer ik wezens met een onaangenaam karakter tegenkom
En hen die onderdrukt worden door intens negatief karma en lijden,
Alsof ik een schat van uitzonderlijke juwelen vind,
Zal ik mijzelf trainen hen te koesteren, want zij worden zo zelden aangetroffen.
 
Dit vers gaat over ons vermogen om onze Boeddhanatuur te realiseren door onze natuurlijke compassie uit te breiden tot Grote Compassie – de wens om alle levende wezens zonder uitzondering te beschermen tegen hun lijden.
 
Deze universele compassie is het hart van het Mahayana Boeddhisme. Anders dan onze huidige beperkte compassie die van nature al af en toe opkomt, moet universele compassie doelbewust gecultiveerd worden in meditatie over een langere periode. Als we op basis van een oprechte liefde voor alle levende wezens hun pijn overdenken, hun onvermogen om hun wensen te vervullen, (124) hoe zij de zaden planten voor hun toekomstige lijden en hun gebrek aan vrijheid, dan zullen we een diepe compassie voor hen ontwikkelen.
 
Om te beginnen kunnen we het lijden van onze familie en naaste vrienden beschouwen, en vervolgens kunnen we onze geest van compassie uitbreiden tot ze alle levende wezens omvat. Op deze wijze kunnen we onze geest vertrouwd maken met grote compassie.
Van alle verdienstelijke geestestoestanden is compassie de hoogste. Compassie zuivert onze geest, en wanneer onze geest puur is worden haar objecten (127) ook puur. Er zijn vele getuigenissen van spirituele beoefenaren die door het ontwikkelen van sterke compassie hun geest zuiverden van de negativiteit die al lang hun spirituele vooruitgang hinderde.
 
(129) Het ontwikkelen van compassie en wijsheid en hen in nood helpen wanneer mogelijk, is de ware zin van het leven. Door het vergroten van onze compassie komen we dichter bij verlichting en de vervulling van onze diepste wensen. Hoe vriendelijk zijn levende wezens om te fungeren als objecten voor onze compassie? De indicatie dat we de meditaties op het koesteren van anderen en compassie meester zijn, is als we, wanneer dan ook, een ander ontmoeten -  zelfs als het iemand is die ons kwetst, of afstoot of angst inboezemt  -  we oprecht voelen dat we een zeldzame en kostbare schat gevonden hebben.
Ofwel dat we hem of haar vanuit Grote Compassie kunnen zien en benaderen.
 
Vers 5
Wanneer anderen mij uit jaloezie
Onrechtvaardig behandelen met beledigingen en laster;
Zal ik mijzelf trainen om de nederlaag op mij te nemen
En de overwinning aanbieden aan anderen.
 
Het vijfde vers onthult dat we nu, na het opdoen van enige ervaring met liefde en compassie voor alle levende wezens, dit goede hart in de praktijk van alle dag dienen te brengen.Wanneer iemand ons bijvoorbeeld uit kwaadheid of jaloezie kwetst of beledigt, dan zouden we met onze geest verblijvend in liefde en compassie de pijn met blijheid moeten accepteren en niet terugslaan — dit is de betekenis van het accepteren van verlies en het offeren van de overwinning aan anderen. Deze beoefening beschermt ons tegen ontmoediging en bedroefdheid.
 
Langri Thangpa’s hoofdintentie in dit vers is om ons aan te moedigen om geduld te beoefenen. De oprechte beoefening van geduld is de basis voor realisatie van nemen en geven. Wanneer objecten of andere mensen problemen voor ons veroorzaken en we hebben alles gedaan wat we kunnen om de situatie te verbeteren, dan zit er niets anders op dan ons lijden geduldig te dragen, zonder kwaad of angstig te worden. (145) Op deze manier houden we onze geest in een gebalanceerde en positieve staat, ongeacht hoe slecht onze uiterlijke omstandigheden ook mogen zijn.
 
Hoewel het vrijwillig verduren van ons lijden in zichzelf niet de eigenlijke beoefening van nemen is, zullen we het niet moeilijk vinden het lijden van anderen op ons te nemen als we in staat zijn ons eigen lijden moedig te dragen. Zij die in staat zijn deze volharding te beoefenen hebben erg sterke geesten. Als we wensen anderen effectief te helpen is het zeker nodig dat we in staat zijn onze problemen te accepteren zonder kwaad of ontmoedigd te worden. Anderen helpen is niet altijd makkelijk — vaak vraagt het de nodige ontberingen en ongemak, en het ingaan tegen de wensen van onze zelf-koesterende geest.
Tenzij we in staat zijn dit te accepteren zal onze gelofte om anderen tot voordeel te zijn halfhartig en onstabiel zijn. Niettemin zullen we, zodra we ons vermogen om onze problemen geduldig te accepteren hebben vergroot, de kracht van geest hebben om het lijden van anderen te nemen en hen vreugde geven te beoefenen.
 
Vers 6
Zelfs als iemand die ik geholpen heb
Of waar ik een hoge verwachtingen van had,
Mij op sterk kwetsende wijzen bejegent,
Zal ik mijzelf trainen hem te zien als een sublieme leraar
 
Het belangrijkste doel van dit vers is ons te leren hoe we onze ervaring van wensende liefde kunnen ontwikkelen en verbeteren. Het is nodig dat we wensende liefde ontwikkelen door het overdenken hoe deze levende wezens die we zo koesteren werkelijk geluk ontberen.
Iedereen wil gelukkig zijn maar niemand in samsara ervaart werkelijk geluk. In vergelijking met de hoeveelheid lijden die zij doorstaan, is het geluk van levende wezens zeldzaam en vluchtig, en zelfs dat is verontreinigd geluk dat van nature het wezen van lijden is.
 
Boeddha noemde de plezierige gevoelens die voortkomen uit wereldse geneugten ‘veranderlijk lijden’ omdat ze eenvoudig de ervaring zijn van een tijdelijke vermindering van manifest lijden.
De meeste relaties tussen mensen zijn gebaseerd op een mengsel van liefde en gehechtheid. Dit is geen pure liefde want het is gebaseerd op een verlangen naar ons eigen geluk – we waarderen de ander omdat ze ons een goed gevoel geven.  Pure liefde is niet gemengd met gehechtheid en komt volledig voort uit de zorg voor het geluk van de ander.
 
Transformeren van ongunstige omstandigheden
 
Zolang onze goede gevoelens voor anderen onder voorwaarde zijn dat zij ons goed behandelen, zal onze liefde zwak en instabiel zijn en zullen we niet in staat zijn het te transformeren in universele liefde. Het is onvermijdelijk dat mensen soms ondankbaar op onze vriendelijkheid zullen reageren, laat staan als we niet zo vriendelijk zijn, dus is het essentieel dat we een manier vinden om deze ervaringen te transformeren tot het spirituele pad. Door op deze wijze te denken transformeren we een situatie die normaal gesproken kwaadheid of zelfmedelijden bij ons zou oproepen in een krachtige les in de noodzaak voor purificatie en morele discipline.
 
Door het volgen van deze lijn van redeneren beschouwen we de persoon die ons onvriendelijk behandelt als een Spirituele Leraar die ons aanmoedigt om samsara achter ons te laten en puur geluk te ervaren. (137) Deze vaardige wijze van beschouwen van onze moeilijkheden transformeert ze in een mogelijkheid om vooruit te komen op het spirituele pad. Omdat deze persoon ons een belangrijke les geeft over de natuur van samsara, en een zeer heilzaam effect heeft op onze geest, is hij of zij uiterst vriendelijk.
 
 
Vers 7
Kortom, ik zal mijzelf trainen om voordeel en vreugde te offeren
Aan al mijn moeders, zowel direct als indirect,
En respectvol neem ik op mijzelf
Al de kwetsingen en pijn van mijn moeders.
 
Dit vers is de essentie van de meest beroemde beoefening binnen het lojong onderricht, namelijk tonglen. Tonglen betekent letterlijk geven en nemen. Het nemen van het lijden van de ander en het geven van onze vreugde.
Kelsan Gyatso zegt:
'Wanneer we beginnen met de beoefening van nemen en geven is het niet nodig om veel te denken over hoe het mogelijk is om het lijden van anderen te verlichten alleen door de kracht van de geest. In plaats daarvan zouden we simpelweg nemen en geven moeten beoefenen met een goede motivatie, begrijpend dat het een voortreffelijke methode is voor het vergroten van onze verdienste en concentratie.
Deze beoefening zuivert ook onze ondeugden en misvattingen, speciaal onze zelf-koestering, en maakt onze liefde en compassie erg sterk. Door geleidelijke training wordt onze meditatie op nemen en geven zo krachtig dat we het vermogen zullen ontwikkelen het lijden van anderen direct op ons te nemen en hen vreugde te geven.
 
We zullen ons nu beperken tot het geven door middel van liefde:
We mediteren een kort moment op deze gevende liefde en stellen ons vervolgens voor dat door onze pure geest van wensende liefde en grote accumulatie van verdienste ons lichaam transformeert in een wensvervullend juweel dat de macht heeft om de wensen van alle levende wezen te vervullen. En je stelt je voor dat dat ook gebeurd.
Je kunt ook specifieke toewijdingen maken, biddend dat de gezondheid van zieken hersteld mag worden, de armen rijkdom verwerven, de werkelozen goede banen vinden, de niet-geslaagden succes vinden, de ongerusten vrede van geest vinden, enzovoorts.
Het makkelijkst is te beginnen met je naasten en zo langzaam de cirkel uitbreidend tot alle levende wezens.
 
Door de kracht van onze pure motivatie en de kracht en zegen van de Boeddhadharma kunnen onze toewijdingen zeker helpen, speciaal als we een sterke karmische band hebben met de mensen waarvoor we bidden.
Het opdragen van onze verdienste aan anderen is zelf een vorm van geven. We kunnen ook mentaal het geven in ons dagelijks leven beoefenen door telkens als we mensen zien, of erover lezen, die arm, ongezond, angstig, onsuccesvol, of ongelukkig zijn, kunnen we onze wensende liefde voor hen vergroten en onze verdienste toewijden aan hun geluk en vrijheid van lijden.'
 
Vers 8
Door zeker te maken dat dit allemaal gezuiverd blijft
Van de smetten van de acht wereldse aangelegenheden,
En door alle dingen als illusies te begrijpen
Zal ik mijzelf trainen om vrij te zijn van de binding van gehechtheid.
 
De hoofdbeoefening van de training van de geest zijn de twee bodhicitta’s, conventionele bodhicitta en ultieme bodhicitta (relatief en absoluut).
De eerste 7 verzen leren ons hoe we conventionele bodhicitta kunnen ontwikkelen, en het laatste vers onthult hoe we ultieme bodhicitta kunnen ontwikkelen.
 
Conventionele of relatieve bodhicitta is het verlangen om tot volledige realisatie te komen in het belang van anderen en houdt zich bezig met hoe zaken verschijnen. Absolute bodhicitta is is de directe realisatie van de ultieme waarheid of leegte.
 
Leegte is een centrale leerstelling in het Boeddhisme en een complex thema en leent zich mijn inziens niet om te behandelen in deze minitraining. Vandaar dat ik mij beperkt heb tot de eerste zeven verzen. Voor een overzicht van het Tibetaans-Boeddhistische pad, maar ook uitgebreide uitelg van de beoefening van Tonglen vind je in het Tibetaanse boek van Leven en Sterven van Sogyal Rinpoche.
 
Ter afsluiting een essentieel vers over de zin van mindtraining:
 
Shantideva
 
Where would I possibly find enough leather
With which to cover the surface of the earth?
But (just) leather on the soles of my shoes
Is equivalent to covering the earth with it
 
Likewise it is not possible for me
To restrain the external course of things
But should I restrain this mind of mine
What would be the need to restrain all else?