Deze website is buiten gebruik vanwege samengaan met MindConsult. Je vind het aanbod en alle actuele informatie op www.mindconsult.nu.

Het Zelf als Pad van Narcisme naar Altruïsme

Ontwikkeling, zelfontplooiing, persoonlijke groei: het zijn begrippen die tegenwoordig enorm populair zijn. Ontwikkeling gaat allang niet meer alleen over kinderen. Dat blijkt wel uit termen als levenslang leren en het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) in organisaties. Lang werd de ontwikkeling van volwassenen gezien als een vorm van bezigheidstherapie voor oude hippies, zweverige new agers of mensen met psychische problemen. Inmiddels is het een breed geaccepteerd fenomeen, wat zich mede uit in een grote belangstelling voor psychotherapie, coaching, mindfulness, meditatie en boeddhisme. 
 
Deze aandacht richt zich met name op het zijns-aspect van de kwaliteit van leven. Heel lang voerden doen en hebben de boventoon en was er nauwelijks aandacht voor dit aspect. De aandacht voor het zijn brengt een verandering van ons zelf met zich mee, en vraagt om een herijking en ontwikkeling van wie we zijn. Ons zelf is die functie waarin al onze opvattingen, ideeën en meningen over zowel onszelf als anderen en de wereld hun invloed uitoefenen. 

 
Narcisme: zegen of vloek?
Een dominant aspect van ons menselijk leven is de dwingende ervaring van ons eigen unieke bestaan, wat traditioneel ‘persoonlijke identiteit’ of ‘zelf’ wordt genoemd. Een andere populaire benaming, maar met een negatievere connotatie, is ‘ego’. We zien hier al een hint dat het zelf, weliswaar noodzakelijk aanwezig, niet per definitie een zegen is. Het is een weerbarstig fenomeen waar we onze handen aan vol hebben. Dit zelf of ego wordt ook gezien als de bron van jaloezie en afgunst, frustratie en kwaad-heid, hoop en angst, ijdelheid en arrogantie. Voor velen die zich bezighouden met persoonlijke ontwikkeling zijn deze gevoelens een vloek waar ze graag bevrijd van zouden willen zijn.
 
Om die bevrijding van het zelf te bereiken moeten we juist dit beperkte zelf met zijn oude gewoonten verder ontwikkelen. Een bekend obstakel bij onze zelf-ontwikkeling of persoonlijke groei, en tegelijkertijd een vingerwijzing naar het belang ervan, vinden we in de mythe van Narcissus. In dit klassieke verhaal wordt de schone jongeling verliefd op zijn eigen spiegelbeeld in de vijver, raakt daarin gevangen, kwijnt vervol-gens weg en sterft uiteindelijk. De vinger wijst naar onze behoefte aan en noodzaak van uitwisseling met onze omgeving.
 
Zonder onze omgeving zijn ook wij ten dode opgeschreven, letterlijk en figuurlijk. Denk maar aan zuurstof, eten en drinken, maar ook aan aanraking, erkenning, warmte en liefde. Onze omgeving kent echter ook een ander aspect. De vijver in de mythe is niet alleen een spiegel, zij is ook een metafoor voor onze ervaren omgeving als geheel, als projectiescherm. De werkelijkheid zoals wij die individueel ervaren bestaat in grote mate uit onze eigen projecties, vandaar dat verschillende mensen in dezelfde omstandigheden iets anders waarnemen en ervaren. Onze omgeving is hiermee ook een waarschuwing voor de kracht van onze eigen projecties op het scherm van de werkelijkheid: ze blijken zo overtuigend dat we ze vervolgens voor feitelijk en waar aannemen! 
Immers, Narcissus meent dat zijn spiegelbeeld een ‘ander’ is en niet slechts een pro-jectie van zichzelf! Zo verliezen ook wij ons al te makkelijk in onze eigen beelden van de werkelijkheid. Tulku Urgyen rinpoche, een Tibetaans-boeddhistische meester, omschrijft dit fenomeen als:
 
Samsara is de geest naar buiten gericht, verloren in zijn eigen projecties,
Nirvana is de geest naar binnen gericht, zijn eigen natuur herkennend.
 
Samsara is een boeddhistische term die staat voor de ervaren wereld van lijden die veroorzaakt wordt door onze gehechtheid aan prettige ervaringen en gedachten, en onze afkeer van onprettige zaken. Anders gezegd, aangename ervaringen willen we zo lang mogelijk laten voortduren en onaangename willen we zo snel mogelijk elimineren. We weten allemaal uit eigen ervaring hoe succesvol deze benadering is. Nirvana is de ervaren wereld waarin we ons bevrijd hebben van deze reflexieve neigingen door onze geest naar binnen te richten. Met ‘de geest naar binnen richten’ wordt niet bedoeld dat we ons letterlijk afkeren van de wereld. Het verwijst naar de houding waarin we structureel aandacht besteden aan de essentie en werking van onze geest. 
 
De geest wordt gezien als de werkelijke bron van onze realiteit, waarin omstandighe-den en gebeurtenissen aanleidingen zijn voor onze ervaringen, maar niet de ware oorzaak. Hierdoor krijgen we als vanzelf zicht op een ruimer zelf. Zowel de mythe van Narcissus als de omschrijving van Tulku Urgyen confronteert ons met de tamelijk hardnekkige neiging die we allemaal wel kennen, namelijk om veelal op onszelf ge-richt te zijn. De intensiteit en kwaliteit van het contact met onze omgeving blijft daardoor beperkt en instrumenteel: de ander verwordt tot een instrument voor zelfbevrediging. 

 
Het zelf overstijgen
Met enige observatie en reflectie kunnen we betrekkelijk eenvoudig vaststellen dat ook wij het grootste gedeelte van de tijd met onszelf bezig zijn, en ons eigen belang op de voorgrond zetten. Logisch natuurlijk, want wijzelf zijn in onze beleving het middelpunt van ons bestaan, wijzelf zijn degene die zich in onze omstandigheden be-vindt, daarin keuzes maakt en tot handelingen en resultaten komt. Hoewel onze taal wemelt van woorden waarin ‘zelf’ voorkomt – in de Van Dale tel ik zeker 150 lem-ma’s met zelf-, van zelfaanvaarding tot zelfzuchtig – staan we doorgaans niet vaak stil bij wie of wat dat zelf nu is. 
 
We hebben er geen afstand van, we zijn ‘ik.’ En als we al op zoek gaan naar onszelf dan merken we algauw dat het niet zo eenvoudig te vinden is. Als we naar de lessen uit de spirituele tradities kijken dan lijkt zelfreflectie cruciaal voor onze innerlijke ontwikkeling. ‘Wie ben ik?’ is dan ook een klassieke vraag in dit zelfonderzoek. De meeste tradities hebben als – niet altijd expliciet – doel om tot overstijgen of bevrij-ding van ons zelf te komen. Het zelf waar het dan over gaat is een functionele – we managen daarmee immers ons dagelijks leven – maar wel flink beperkte vorm van een potentieel veel groter en ruimer Zelf. Dit ruimere Zelf omvat én overstijgt ons in-dividuele en beperkte zelf.
 
Over dit grotere en ruimere Zelf zijn vele beroemde teksten en verhalen geschreven. We vinden ze terug in onze religies, spirituele tradities, maar ook in de mythologie, de verschillende beeldende kunsten en romans. Hoewel de verschijningsvormen heel di-vers zijn, herkennen we onmiddellijk het Verlangen naar die staat van Zijn waarin we zowel individu zijn als tegelijkertijd ervaren onlosmakelijk deel te zijn van het grotere geheel. Een werkelijkheid die we allemaal wel eens hebben ervaren – als we luisteren naar muziek, een boek lezen, in de natuur zijn, mediteren, een orgasme hebben, lekker eten – toevallig, zonder bewuste intentie. 
 
Die werkelijkheid is non-conceptueel. Ze laat zich niet in onze taal vatten – ze gaat daaraan voorbij. De beste teksten erover zijn dan ook gedichten. Ze verwijzen naar een ervaring of fenomeen dat niet direct via taal te grijpen, maar wel direct te ervaren is! In het Tibetaans boeddhisme wordt het ruimere Zelf of grotere geheel ‘de natuur van de geest’ of ‘boeddhanatuur’ genoemd. Op het pad van verwezenlijking van deze natuur van de geest komen we als vanzelfsprekend obstakels tegen in de ontwikkeling van onze gerichtheid naar buiten tot een gerichtheid naar binnen. Over onze obstakels bij deze realisatie dichtte de grote Longchenpa  in Een diamanten lied over zinloze beslommeringen:
 
Dag en nacht in beslag genomen door alledaagse beslommeringen,
waar vind ik de tijd om het wezen van niet-doen te bereiken?
Als ik me niet meteen ontdoe van die ingebeelde verplichtingen,
wat heb ik dan aan deze zinloze beslommeringen?
 
Anders gezegd, zelfs in het ontwikkelen van een ruimer Zelf bereiken we niets als we geen prioriteiten stellen. Gelukkig zijn er praktische toepassingen die we met relatief weinig moeite in ons dagelijks leven kunnen inzetten om onze boeddhanatuur te reali-seren.

Van narcisme naar altruïsme
De tegenpool van narcisme (de gerichtheid op onszelf) is altruïsme (de gerichtheid op de ander). Daarmee worden overigens alle anderen bedoeld en dus niet alleen maar degenen die we liefhebben of leuk vinden! In vele spirituele tradities en wereldreligies is de ontwikkeling van een narcistische naar een altruïstische geestelijke houding een noodzakelijke stap om ons beperkte zelf te overstijgen. Er wordt een directe relatie gelegd tussen de ervaring van geluk in ons leven en de mate waarin we altruïstisch zijn. In een beroemd boeddhistisch vers in zijn Bodhicharyavatara zegt Shantideva :
 
Alle geluk dat de wereld bevat
Is ontstaan door het wensen van geluk voor anderen.
Al het lijden dat de wereld bevat
Is ontstaan door het wensen van geluk voor zichzelf.
 
Op het eerste gezicht lijkt deze stelling ons waarschijnlijk wat absoluut en extreem, maar bij nadere beschouwing – stel je eens voor dat iedereen het welzijn en belang van de ander voor dat van zichzelf zou stellen – kunnen we zien dat we hier mogelijk met een universele waarheid te maken hebben. 

 
Zelf-onderzoek
De historische Boeddha Sakyamuni zou gezegd hebben ‘Geloof zelfs niet wat ik zeg.’  Hij bedoelde daarmee dat we beter iets in onze eigen ervaring kunnen onder-zoeken dan het voor waar aannemen omdat iemand of een autoriteit dat zegt. Boven-staande stelling van Shantideva leent zich uitstekend voor dit soort ervaringsgericht onderzoek en daarom nodig ik je graag uit tot het volgende: 
 
Oefening
Spreek met jezelf een uur, dag of andere periode af waarin je je aandacht gebruikt om je handelingen of acties – denken is hier ook een handeling! – te observeren en vast te stellen of ze zelf-gericht of ander-gericht zijn. Vraag je steeds weer af wat precies het verschil is en hoe zich dat in jouw gedrag en gedachten uit. 
Wees je ook gewaar van de subtiele varianten waarbij het je voorkomt dat je iets voor iemand doet maar je op (langere) termijn daar zelf toch voordeel van hoopt te krij-gen.Inzicht in de mate waarin je neigt naar narcisme of altruïsme komt als je zorgvuldig kijkt naar het resultaat van de betreffende handeling – zowel bij jezelf als de ander. Deze zelf-confrontatie is natuurlijk niet altijd prettig, maar wel noodzakelijk.
 
Het is praktisch om ’s ochtends een moment te nemen om te zitten, of eerst te mediteren, en je geest de opdracht te geven die dag je handelingen (vergeet vooral je ge-dachten en fantasieën niet) op deze wijze te bekijken. Iedere keer dat je je dit gedurende de dag herinnert bevestig je de opdracht. Aan het einde van de dag neem je een moment om te inventariseren wat je hebt opgemerkt om daarover te reflecteren. Het is behulpzaam om daar kort wat aantekeningen van te maken. Een aanvullende oefening is om je gewaar te zijn wanneer je het woord ‘ik’ gebruikt en welk effect dat heeft. Wie herinnert zich niet ‘Ikke, ikke en de rest kan….!
 
Narcistische eigenliefde overstijgen
Essentieel in het werken met onze geest is dat we leren observeren, of gewaar te zijn, zonder te oordelen. Het gaat dan niet om het vermijden of onderdrukken van de onvermijdelijke oordelen en gedachten die opkomen, maar om ook deze oordelen en gedachten te observeren zonder ons ermee te identificeren of te bemoeien. Zonder er wat mee te moeten doen. Door ze met rust te laten, door kalm en open te blijven ervaren we als vanzelf wat men noemt de ‘natuur van onze geest,’ die zich openbaart als we niet meer afgeleid zijn door de constante ruis van onze kleine geest.
 
Compassie is de houding van een ‘ik’ dat zich niet afscheidt en zich te allen tijde deel weet van het grotere geheel. Het is dit ruimere zicht waarin we de onlosmakelijke verbondenheid met alles herkennen en erkennen, dat ons motiveert om onze narcistische eigenliefde te overwinnen. Pas als we dit in ons dagelijks leven beoefenen krijgen we definitief uitsluitsel over de stelling van Shantideva in onze eigen ervaring.
 
[1] Longchenpa of Longchen Rabjampa (1308-1363) wordt gezien als een van de grootste leraren van de     
   Tibetaans-boeddhistische Nyingmaschool. Hij is vooral bekend om zijn realisatie van de geschriften   
   over Dzogpa Chenpo (De Grote Volmaaktheid), het hoogste onderricht over de non-conceptuele wer-
   kelijkheid.
 
[2] Shantideva (685-763) is de auteur van de beroemde Bodhicharyavatara. Hierin beschrijft hij het pad
   van de bodhisattva, het boeddhistische ideaal van compassie dat voor allen realiseerbaar is. Essentieel
   op dit pad is dat onze motivatie voor de realisatie van verlichting het belang van anderen is, en niet
   slechts eigenbelang
 
[3] Rede tot de Kalama's, Angutarra Nikaya I 188-93, in: Aldus sprak de Boeddha, p. 120-125.